almapost.nl

Schrijfdagboek

Het

24-1-2018

‘Dirk vond Het altijd erg vervelend,’ zei de vrouw met wie ik een praatje maakte in de bibliotheek. Ik had haar kort daarvoor herkend als de moeder van een vroegere klasgenoot van mijn zoon, een jongen die Dirk H.-en-nog-iets heette.

‘Hij wilde niet dat iemand Het wist.’ De moeder van Dirk had een zenuwtrekje bij haar mondhoek. Ze sprak alsof Het een pijnlijk familiegeheim was. Maar wat? Ik ging snel de mogelijkheden na. Man in de gevangenis? Drugsgebruik? Drank? Geen van die problemen leek op haar van toepassing. Alleen die jas al: dure eenvoud, kasjmier, afkomstig van speciale geiten. Ik zag de bijbehorende reclame voor me: Klassiek, tijdloos. En omdat beschaafde rijkdom toch imponeert, observeerde ik haar nu gretig. Kon zij een personage worden in mijn volgende boek?

‘Hij vond Het gênant, geloof ik,’ vervolgde ze, alweer met die mondhoek. Ze had glad, grijsblond haar in een zij-scheiding. ‘Woonden jullie niet in de Anna van Saksenlaan, die zo mooi door het bos kronkelt?’ vroeg ik. De vrouw knikte besmuikt. ‘Inderdaad.’ Ze liet een vaag lachje zien. ‘Dat vond Dirk ook erg. Hij wilde in een doorzonwoning.’

Er begon me iets te dagen. ‘Ik weet het weer! Dirk was de jongen die op school niet mocht vertellen wat zijn vader deed.’ Ik begreep te laat dat mijn opmerking pijnlijk was. De vrouw keek ongemakkelijk over mijn schouder, en fluisterde ‘Ja.’

‘En hoe ging het verder met hem?’ vroeg ik. Meteen klaarde ze op, en ik zag nu dat ze een leuke lach had. Ze ging steviger staan en zwaaide met haar rechterarm alsof ze een tennisracket vasthield. ‘Hij werkte een hele tijd bij een kringloopwinkel, zo leuk. Hij woonde in een antikraakpand.’

‘Met zulke ouders?’ Ik bedoelde zulke rijke ouders, maar dat woord leek ineens taboe. Ik vroeg me af of de toenemende ongelijkheid in de wereld ermee te maken had – misschien was ze een voorloopster die verandering voorstond. ‘Hij wilde niets van ons hebben,’ straalde de vrouw. ‘Al at hij de hele week bonen!’

‘Dus met Dirk is het helemaal goed gekomen?’ probeerde ik geestig te zijn. Mijn gesprekspartner zuchtte. ‘Niet echt. Hij doet nu iets bij een bank.’ Iets. Haar mondhoek trilde weer. Iets was niet loopjongen, begreep ik. Iets was iets dat naar Het leidde. ‘Jammer voor je,’ zei ik. We namen hartelijk afscheid.

Vorig berichtVolgend bericht